Woorden van de week (4)

Spelling groep 4

Week 1:

Blok 1 , les 1   klankwoorden

 

 

de aap

de boog

ik speel

de brief

klaar

de bril

 

Blok 1 les 2     weetwoorden

de korte ei

de ei van de versjes

 

het ei

de trein

het plein

klein

het meisje

het zeil

 

Week 2:

Blok 1, les 3     klankwoorden

hoor je na s een g   dan schrijf je sch

 

het schaap

de school

de schuur

de schat

het schip

ik schiet

 

Blok 1, les 4     weetwoorden

De lange ij

 

het ijs

vijf

wij gaan

de rij

vrij

de prijs

 

Week 3:

Blok 1, les 5   klankwoorden

/ oe / ui / of / eu   /

 

het boek

groen

de ui

de buik

de neus

leuk

 

Herhaling

 

Week 4:

Herhaling Herhaling

 

Week 5:

Blok 2 , les 1   klankwoorden

/ng/ op het eind

 

de ring

de tong

de slang

de wang

eng

jong

 

Blok 2, les 2     weetwoorden

de ou

 

de vrouw

het hout

stout

de fout

de kous

jou

 

Week 6:

Blok 2, les 3     klankwoorden

nk op het eind

je hoort /ngk/. Je   schrijft /nk/

 

de bank

dank

ik denk

de pink

ik drink

ik zink

 

Blok 2, les 4     weetwoorden

de au van de versjes

 

 

au

blauw

flauw

gauw

de pauw

de saus

 

Week 7:

Blok 2, les 5   klankwoorden

Je hoort /aaj/ ooj   /oej/

Je schrijft aai, ooi   of oei

 

de haai

ik draai

ik roei

ik groei

de kooi

mooi

 

Herhaling

 

Week 8:

Herhaling Herhaling

Week 11:

Blok 3 , les 1   klankwoorden

De stomme e:

je hoort u, je   schrijft e achteraan

 

de spiegel

de dieren

buiten

langer

lieve

het boekje

 

Blok 3, les 2     weetwoorden

woorden met een f

 

 

het fruit

de film

het feest

de fiets

de fles

de fluit

Week 12:

Blok 3,   les 3     klankwoorden

De stomme e:

je hoort u, je   schrijft e vooraan

 

gedaan

het gevoel

ik betaal

het bezoek

het verhaal

het verdriet

 

Blok 3,   les 4     weetwoorden

woorden met een v

 

 

vier

vaak

de vlag

veel

vroeg

de verf

 

Week 13:

Blok 3,   les 5   regelwoorden

Wil je een woord   kleiner maken? Schrijf achter het woord je of tje.

En… soms schrijf je   pje erachter.

 

het   huisje

het   fietsje

het zusje

het   treintje

het   wieltje

het   broertje

raampje

riempje

 

Herhaling

 

Week 14:

Herhaling Herhaling

 

Week 15:

Blok 4 , les 1   klankwoorden

Je hoort /u/ na de l

Maar die /u/ schrijf   je niet

 

twaalf

half

ik volg

de wolk

de helm

de schelp

 

Blok 4,   les 2     weetwoorden

woorden met een s

 

 

het sap

de sok

de som

soms

de soep

saai

 

 

Week 16:

Blok 4,   les 3     klankwoorden

Je hoort /u/ na de r

Maar die /u/ schrijf   je niet

 

de slurf

ik durf

de berg

de kurk

de arm

het dorp

Blok 4,   les 4     weetwoorden

woorden met een z

 

de zus

zwaar

zes

de zee

de zon

ziek

 

 

Week 17:

Blok 4,   les 5   regelwoorden

Samenstellingen zijn   lange woorden.

Ze zijn gemaakt van   twee andere woorden. Schrijf de woorden aan elkaar.

 

het klimrek

de schoolklas

het leesboek

het wijnglas

de kiespijn

de sneltrein

 

Herhaling

 

Week 18:

Herhaling Herhaling

 

Week 19:

Blok 5 , les 1   regelwoorden

Hoor je aan het eind   van een woord /t/ ?

Maak het woord   langer.

Dan weet je of je t   of d schrijft.

 

het paard

de staart

het land

de krant

het sportveld

de goudvis

 

Blok 5, les 2     weetwoorden

de korte ei

de ei van de versjes

 

 

de geit

ik zei

de reis

de eik

de wei

de klei

 

Week 20:

Blok 5, les 3     klankwoorden

Je hoort / eer / eur   / oor /

Je schrijft ook eer,   eur en oor

 

de beer

de peer

de deur

de scheur

het oor

het spoor

 

Blok 5, les 4     weetwoorden

De lange ij

 

 

de pijn

blij

rijk

jij bent

hij is

zij is

 

 

Week 21:

Blok 5, les 5   klankwoorden

Hoor je twee of drie   medeklinkers na elkaar? Vergeet dan geen letters.

 

de straat

ik spring

de korst

laatst

de kunst

de wesp

 

Herhaling

 

Week 22:

Herhaling Herhaling

 

 

Week 23: 11 februari

Blok 6, les 1   klankwoorden

Je hoort / schr / of   / sr / of / sgr /

Je schrijft altijd   schr

 

ik schrijf

schrijven

de schrijver

het schrift

de schroef

ik schrik

 

Blok 6, les 2   weetwoordenWoorden met een ch op   het eind

 

 

ik lach

lachen

de pech

toch

zich

de kachel

 

 

Week 24:

Blok 6, les 3  klankwoorden

 

de nacht

recht

echt

dicht

de lucht

het licht

 

Blok 6, les 4  weetwoorden

de ou

 

het zout

het touw

oud

ik zou

ik wou

ik hou van jou

 

 

Week 25:

Blok 6, les 5  klankwoorden

Je spreekt woorden   in stukjes uit.

Die stukjes heten   klankgroepen

 

ruiken (rui-ken:   2 klankgroepen)

de schoenen (schoe-nen:   2 klankgroepen)

werken (wer-ken:   2 klankgroepen)

de paarden (paar-den:   2 klankgroepen)

de dokter (dok-ter:   2 klankgroepen)

de zakdoek (zak-doek:   2 klankgroepen

begrijpen (be-grij-pen:   3 klankgroepen)

kinderboeken (kin-der-boe-ken:   4 klankgroepen)

 

Herhaling

 

Let op:

Het licht (van lampen)

Hij ligt ( van   liggen)

 

Ik zeg – hij zegt

Ik vraag – hij   vraagt

 

Ik lach (van lachen)

Ik lag (van liggen)

 

Week 26:

Herhaling Herhaling

 

Week 27:

Blok 7, les 1   regelwoorden

Hoor je / aa / oo /   of / uu / aan het eind van een woord?

Dan schrijf je a, o   of u.

ja

zo

u

nu

de auto

bijna

 

Blok 7, les 2  weetwoorden

woorden met een f

 

 

de fee

fijn

fel

flink

de friet

fris

 

 

Week 28:

Blok 7, les 3  regelwoorden

Hoor je / aa / oo /   of / uu / aan het eind van een klankgroep?

Dan schrijf je a, o   of u.

 

de ramen

de tafel

het water

lopen

de boter

sturen

 

Blok 7, les 4  weetwoorden

woorden met een v

 

 

de vlieg

voor

ver

vol

vast

de voet

 

 

Week 29:

Blok 7, les 5  regelwoorden

Een lange klinker   kan vooraan, in het midden of achteraan staan.

Hoor je / aa / oo /   of / uu / aan het eind van een klankgroep?

Dan schrijf je a, o   of u.

 

achterna

zure

betalen

verkopen

zaterdag

boterham

 

Herhaling

 

Week 30:

Herhaling Herhaling

 

Week 31:

Blok 8, les 1   regelwoorden

Hoor je / ee / aan   het eind van een woord?

Dan schrijf je ee

 

nee

twee

de slee

mee

de zee

het idee

 

Blok 8, les 2  weetwoorden

 

 

de salto

de sjaal

sjouwen

samen

de sandaal

de suiker

 

 

Week 32:

Blok 8, les 3  regelwoorden

Hoor je aan het eind   van een klankgroep / ee / ?

Dan schrijf je   meestal e

 

lezen

de weken

de delen

de strepen

de regel

zeker

 

Blok 8, les 4  weetwoorden

Woorden met een z

 

 

 

de zeep

de zak

zelf

de zoen

zoeken

zo

 

 

Week 33:

Blok 8, les 5  regelwoorden

Hoor je aan het eind   van een klankgroep een lange klinker?

Schrijf één klinker

slapen

beter

 

Hoor je aan het eind   van een klankgroep een medeklinker?

Schrijf wat je   hoort.

de handen

de kaarten

 

Hoor je aan het eind   van een klankgroep een / oe / ui / of / eu /?

Schrijf wat je   hoort.

zoeken

buiten

 

Herhaling

 

Week 34:

Herhaling Herhaling